Vlak bij mij in de buurt wordt al bijna tien jaar lang gebouwd aan de nieuwe Rotterdamse wijk Nesselande. En alsof die mensen het al niet zwaar genoeg hebben om tussen de hijskranen en het bouwverkeer door ook nog eens elke keer naar die typische exemplaren van de Nederlandse bouwstijl te moeten kijken, hadden ze daar niet eens een winkelcentrum. Er was wel een Albert Heijn en er waren ook nog een paar andere piepkleine winkeltjes, maar allen waren ze gehuisvest in van die hele treurige bouwketen. Die waren oorspronkelijk bedoeld als tijdelijk, maar de bouw van het echte winkelcentrum werd steeds maar uitgesteld en uitgesteld en toen ze eindelijk begonnen waren, schoot het maar niet op.
Maar binnenkort is het dan eindelijk zo ver. Dan mogen de Nesselandse hardlopers hun sportdrankjes gaan kopen in een echte supermarkt in een echt winkelcentrum. En om dat te vieren hadden ze afgelopen weekend een wedstrijdje om de Zevenhuizerplas georganiseerd. Helemaal gratis mocht je één of twee rondjes afleggen, te weten zeven of veertien kilometer. Ik koos voor de laatste optie.
Helemaal voluit wilde ik echter niet gaan. Veertien kilometer is toch niet echt een courante afstand en bij een goede tijd zou ik alleen maar balen dat het allemaal net een kilometer te kort was. Het eerste rondje wilde ik het daarom relatief rustig aan gaan doen, om in het tweede rondje wat tijd goed te maken. Door de geringe opkomst bij de 14 kilometer speelde ik nog even met de gedachten om voor een goede klassering te gaan, maar toen zich direct na de start ver voor mij een groepje van een man of zes, zeven vormde, liet ik ook die gedachte gaan. Meteen daarna werd ik door nog een deelnemer van de 14 ingehaald, maar dat leek me meteen een mooi richtpunt voor het tweede rondje.
Het eerste rondje was een makkie. Zo'n tweehonderd meter voor ons was de zeven kilometer gestart en zo kon ik mezelf groepje voor groepje naar voren werken. Wel maakte ik me wat zorgen over mijn toekomstige richtpunt, want die liep gewoon lekker door waardoor ik in het tweede rondje flink aan de bak zou moeten om dat gat dicht te lopen.
Bij het ingaan van het tweede rondje werd het opeens heel rustig. Alle zeven kilometer lopers voor me waren nu gestopt en mijn persoonlijke richtpunt was alleen nog maar te zien op de lange rechte stukken. Achter mij liepen nog wel wat veertien kilometer lopers, maar na mijn eerste versnelling waren ook die al snel uit zicht verdwenen. Nu ging het alleen nog maar tussen mij en mijn richtpunt.
Bij het einde van het eerste rondje had ik al gezien dat mijn richtpunt ongeveer een minuut voorsprong op me had. Ik zou dus flink moeten versnellen om dat in het tweede rondje nog dicht te lopen, maar ik ging er vanuit dat dit wel te doen moest zijn. Tot dan toe had ik immers tien seconden per kilometer verloren, maar nu zou ik gewoon per rondje twintig seconden sneller gaan en volgens die logica zou ik er dan bij de finish weer voorbij kunnen.
In theorie leek dat allemaal zo makkelijk, maar in de praktijk was het allemaal wat lastiger. Bij de improvisorische meetpunten die ik in gedachten had, merkte ik wel dat ik enkele seconden aan het inlopen was, maar optisch gezien bleef het verschil tussen ons hetzelfde. Langzamerhand begon ik dan ook steeds meer respect te krijgen voor mijn richtpunt. Vrijwel geen spoor van verslapping. Knap hoor. Halverwege dat tweede rondje was ik zelfs helemaal niet meer zo zeker van mijzelf. Misschien zou mijn richtpunt me gewoon voor blijven.
In de twaalfde kilometer kijkt mijn richtpunt achterom en alhoewel we nog steeds ruim een halve minuut bij elkaar vandaan lopen, hebben we voor de eerste keer oogcontact. Een teken van zwakte? Twijfel? Misschien niet, maar op dat moment komt het me goed uit en zie ik het als een extra aansporing om te proberen om dat gaatje toch nog dicht te lopen. Ik begin alleen wel te merken dat de opgebouwde reserves uit het eerste rondje langzaam aan het verdwijnen zijn.
De dertiende kilometer weet mijn richtpunt weer te herstellen. Het gat dat in de kilometer daarvoor langzaam kleiner aan het worden was, blijft nu ongeveer hetzelfde. Ik vind het nog te vroeg voor een laatste wanhoopspoging en ik bereid mezelf daarom mentaal voor op de laatste kilometer. Ik weet dat het zwaar wordt. Het laatste stuk zullen we de wind direct van voren hebben en nog steeds is het gat tussen ons zo'n twintig seconden. Ik bereid mezelf al voor op een laatste kilometer van onder de vier minuten.
Aan het begin van de veertiende kilometer lijk ik me neer te moeten leggen bij een klassering achter mijn richtpunt. Het gaat hard nu, erg hard, maar mijn richtpunt verweert zich kranig. Het gat tussen ons wordt nauwelijks kleiner.
Maar dan draaien we tegen de wind in en zie ik opeens dat mijn richtpunt het voor het eerst zichtbaar moeilijk begint te krijgen. Het tempo zakt wat in en ik kom dichterbij. Bang als ik ben voor een eindsprint, want daar heb ik echt de energie niet meer voor, neem ik nog heel even gas terug om op adem te komen. Maar dan versnel ik een laatste keer en op zo'n tweehonderd meter voor de finish loop ik er eindelijk voorbij. Niet met het enorme machtsvertoon waar ik op had gehoopt, maar een haastig naar achteren geworpen blik leert me dat het genoeg is.
Ik finish in 1 uur, 2 minuten en 2 seconden en dat is net een paar seconden voor mijn richtpunt voor wie ik tijdens dat tweede rondje steeds meer ontzag heb gekregen. Niet slecht voor een vrouw...
Zeven kilometer en het gaat echt echt niet meer. Ik hou het niet meer vol. Het leuke groepje waar ik naar toe was gelopen, loopt bij me weg en het leuke groepje waar ik vandaan was gekomen, loopt op me in. Zeven kilometer. Nog niet eens de helft dus.
Het leek vooraf allemaal zo makkelijk. Thuis had ik nog even snel een blik op mijn snelste tijd geworpen en eigenlijk vond ik dat die tijd wel te doen moest zijn. Lang heb ik een nog veel snellere tijd als PR aangehouden, maar dat was bij een loopje waarvan de afstand niet klopte. Drie rondjes waren dat en elke rondje was honderd meter te kort. Dit jaar besloot ik daarom definitief om dat PR te schrappen waarmee een andere tijd, waarvan ik toen niet eens wist dat het een PR was, een plaatsje opschoof naar boven.
Maar nu zou ik willen dat ook deze afstand te kort was. Acht kilometer of zo. Want na zeven kilometer gaat het gewoon niet meer. Ik ben veels te ambitieus en te snel gestart en nu dreig ik in elkaar te storten.
En toch raak ik niet in paniek. Ik blijf kalm. In plaats van geforceerd het tempo vast te blijven houden, doe ik het heel even wat rustiger aan. Om op adem te komen. Om energie te sparen. Dat vervolgens Janna voorbij komt lopen, neem ik dan ook maar voor lief. Vandaag loop ik mijn eigen wedstrijd.
Maar dan keert het tij. Ik voel mezelf weer aansterken. Het gaat gewoon weer. Kilometer tien en ik versnel. Janna loop ik doodleuk weer voorbij, maar dat zie ik enkel als een prettige bijkomstigheid. Zelf zal ze waarschijnlijk wel zeggen dat ze gewoon haar eigen wedstrijd loopt en zo begin ik aan mijn laatste vijf kilometer met het geloof dat het helemaal goed gaat komen. Het PR dat langzaam uit mijn handen aan het glippen was, voelt opeens niet meer zo onbereikbaar.
Nog geen kilometer later maak ik zelfs één van de mooiste momenten uit mijn hardloopleven mee. Het klinkt stom voor iemand die geen hardloper is, maar heel eventjes zweef ik. Ik geniet en het voelt alsof ik knetter stoned ben. Ik laat mijn hoofd ietsjes naar achteren zakken en laat het fantastische gevoel over me heen komen. Natuurlijk had ik ook liever gewild dat het was gebeurd in een wat inspirerendere omgeving dan Zoetermeer, maar op dit moment heb ik het eventjes niet voor het kiezen. Zelfs in een veel lelijkere omgeving dan in Zoetermeer, al hoewel ik eventjes niet kan bedenken waar dat zou kunnen zijn, had ik dit mooie moment met beide handen aangegrepen.
Daarbij ben ik opgegroeid in Zoetermeer en is al die lelijkheid van de woonwijken om me heen voor mij tegelijkertijd het decor van mijn jeugd. Daardoor weet ik in die laatste paar kilometers ook precies wat me te wachten staat. Ik heb er zo vaak gefietst met mijn schooltas naar school en met mijn gymspullen naar de buitengym, dat ik elk bruggetje en elke klim hier uit mijn hoofd ken.
De lastige klim op kilometer twaalf komt dan ook niet als een verrassing. Wat wel als een verrassing komt, is hoe makkelijk het gaat. Het voelt gewoon niet als een klim. Het is een makkie en ik verlies nauwelijks snelheid. De twee mannen waar ik al een tijdje naar toe aan het lopen was, loop ik in één keer voorbij en nu nadert de finish pas echt.
Als de laatste kilometer ingaat, zie ik al dat ik het ga redden. Om te voorkomen dat ik mijn snelste tijd met slechts een handvol seconden verbeter, versnel ik zelfs nog een laatste keer. Ik zie het als iets vanzelfsprekends. Zo makkelijk gaat het gewoon dat ik zeven kilometer nadat ik dreigde in te storten, gewoon nog even een versnellinkje uit mijn mouw schud. Het is een PR. Alweer eentje. 1 uur, drie minuten en 19 seconden. Het had misschien nog wat sneller gekund, maar waarschijnlijk niet op een mooiere en beter voelende manier dan dit.
Ik denk nog regelmatig aan mijn half mislukte halve marathon van anderhalve week geleden. Waar ging het mis? Wat ging er mis? Wat kon er beter? Waarom kon ik uiteindelijk niet onder de negentig minuten komen?
De makkelijkste zondebokken heb ik allemaal al gehad. Zo was het parcours niet ideaal door een paar vervelend steile bruggen en enkele scherpe bochten. Aan de andere kant zul je ze in Nederland niet zo heel erg veel beter dan dat kunnen krijgen. Dat kan ook gezegd worden over het weer, omdat we op het einde een behoorlijke wind tegen hadden, maar ook dit krijg je in Nederland eigenlijk nauwelijks veel beter. Daarbij hadden we diezelfde wind in het begin ook gewoon in de rug.
Ik zoek de oorzaak van mijn mislukte optreden dan ook voornamelijk bij mezelf. Misschien ben ik gewoon nog niet in staat om de halve marathon binnen de negentig minuten te lopen. Misschien had ik daar op dat moment even de juiste vorm niet voor. Misschien gold dat op het lichamelijke of op het geestelijke vlak of misschien wel op allebei. Iedereen heeft immers zo zijn beperkingen en eigen grenzen en misschien ben ik daar die dag wel tegenaan gelopen.
Maar wat als dat het nou niet was? Wat had ik die dag moeten doen om misschien wel onder die magische grens uit te komen? Juist die vraag heeft me enorm bezig gehouden en daarbij ben ik tot de volgende conclusies gekomen.
1. Ik had beter voorbereid naar de wedstrijd moeten komen
Ik ben inmiddels zo gewend aan de commercie tijdens loopwedstrijden, dat ik er vanuit was gegaan dat dit in Dordrecht niet anders zou zijn. Dat kwam mij goed uit, want ik wilde wel eens experimenteren met een gelletje in die laatste paar kilometers. Groot was dan ook mijn teleurstelling toen bleek dat al die standjes in Dordrecht gewoon keihard afwezig waren. Niks, nada, noppes. Uiteindelijk heb ik het moeten doen met een in alle haast gekocht flesje AA-drank en een enkele Mars. Geen idee of een gelletje echt had gewerkt, maar je blijft achteraf toch met zo'n naar "wat als..."-gevoel zitten.
2. Ik had niet zo laf moeten lopen
Ik ben veels te berekenend van start gegaan, want mijn doel was exact 1 uur, 29 minuten en 59 seconden. De kilometertijden stemde ik daar ook op af, terwijl het in het begin allemaal best harder had gekund. Toen ik op het einde tijdens de beklimming van de Papendrechtse brug eenmaal flink wat tijd had verloren, was ik mijn bescheiden marge volledig kwijt. Wie weet wat er was gebeurd als ik de beklimming was begonnen met een minuut of misschien zelfs wel meer onder dat negentig minuten schema.
3. Ik had door moeten zetten
Toen ik in de laatste kilometers zag dat ik nog heel wat tijd goed te maken had, was in een keer al het vertrouwen weg. Ik heb het gewoon laten lopen. Puur door luiheid en de angst voor het echte afzien, heb ik de laatste paar kilometers maar een beetje afgeraffeld. Als ik nog even door had gezet, had ik misschien nog wel eerder de tweede adem kunnen vinden die ik pas honderd meter voor de finish weer terug vond. Als ik na de Papendrechtse brug mijn doel had bijgesteld naar bijvoorbeeld 1 uur, 30 minuten en 30 seconden, dan had ik daar een nieuw schema op afgesteld en misschien had ik dan op het einde alsnog kunnen versnellen.
4. Ik had de tijd moeten nemen om te drinken
In Dordrecht had ik iets last van een verkoudheid. Op zichzelf was dat geen groot probleem, maar het bemoeilijkte het drinken tijdens de wedstrijd. Door een verstopte neus kon ik namelijk niet meer goed door mijn neus ademen, waardoor het lastig werd om tegelijkertijd te drinken en te hardlopen. In plaats van daar iets meer tijd voor te nemen bij de drankposten, gooide ik elke keer het nog halfvolle bekertje al snakkend naar adem weg. Dat had slimmer gekund.
5. Ik had tevreden moeten zijn met wat ik wel kan
OK. Dan loop je niet onder de negentig minuten. Dan haal je je doel eens een keertje niet niet. Lekker belangrijk. Volgende keer beter. Je verkeert in de vorm van je leven en je loopt de ene na de andere goede tijd. Ga dan niet lopen zeuren over dingen die niet goed zijn gegaan, maar richt je op de dingen die wel goed gingen. Je liep toch een PR? Of niet dan? Nou dan! Zeik dan niet zo...
Puntje vijf vind ik zelf nog het beste. Dat zou ik me eens vaker moeten realiseren.
De bedoeling was om de halve marathon binnen anderhalf uur te lopen en om gelijk maar de spanning weg te halen: dat is niet gelukt. Vijftien kilometer lang zag het er naar uit dat ik wel het zou gaan halen. Voor mijn gevoel ging het toen namelijk nog allemaal vrij gemakkelijk en al rekenend kwam ik tot de conclusie dat ik in de laatste paar kilometers zelfs nog wat tijd mocht verliezen op mijn zelf opgelegde schema. Dat kwam goed uit, want op dat moment zag ik in de verte al de brug tussen Papendrecht en Dordrecht waarvan ik wist dat ik er nog overheen moest.
Die brug, de Papendrechtse brug, zal ik niet snel vergeten. Daar ging het mis. Goed mis zelfs. Een beetje jammer ook voor een brug die waarschijnlijk gebouwd is om een snelle verbinding tussen twee oevers te maken, want in mijn geval zijn ze daar niet in geslaagd. In de beklimming van die brug, die niet eens zo heel erg lang duurde, verloor ik namelijk een hele hoop cruciale zaken. Ik verloor veertig seconden, mijn laatste restjes energie en, nog veel belangrijker, ik verloor de hoop op een tijd onder de negentig minuten.
Eenmaal boven aangekomen, voelde al dat het voorbij was. In de afdaling maakte ik nog wel wat tijd goed en een kilometer lang wist ik zelfs weer het goede tempo op te pakken, maar dat was niet goed genoeg. Het moest sneller. Ik moest tijd goed maken en ik had nog maar te weinig kilometers voor me om dat te realiseren. Ineens werd ik ook weer ingehaald door een paar mannen. En toen nog één. En nog één. BliepBliep. Reden gevonden. Slechte kilometertijd.
Ik had ook geen zin meer om er nog energie in te steken. Het zou toch niet de tijd worden die ik vooraf voor ogen had en daarom liet ik het maar gaan. De motivatie was compleet verdwenen. Ik wist dan ook wel dat het slecht aan het gaan was, maar ik had nog geen idee hoe slecht. Het zal wel negentig minuten hoog worden, dacht ik nog voordat ik de hoek omdraaide en het nog maar één lange rechte lijn naar de finish was.
Toen ik in de verte bij de finish de klok zag staan, stond die echter al op 91 minuten. Ik schrok. Zou ik nu zelfs mijn oude PR niet eens gaan halen? Heb ik het dan echt helemaal voor niets gedaan?
En opeens kon ik wel versnellen. De laatste beetjes energie die ik na de brug overal tevergeefs had gezocht, maar nergens had gevonden, bleken toch nog ergens aanwezig te zijn. Ik zette een eindsprint in en dook onder het finishdoek door. Volgens eigen meting zes seconden sneller dan mijn PR.
Helaas heb ik ook die meting weer bij moeten stellen. Mijn oude PR was ietsjes sneller dan ik dacht en volgens de organisatie was mijn netto eindtijd langzamer dan mijn eigen meting. De zes seconden die ik bij de finish dacht over te hebben, blijkt er dus uiteindelijk maar eentje te zijn. 1 uur, 31 minuten en 33 seconden. Het is een PR, het verzacht ook enigszins de pijn van de mislukking, maar het gevoel van teleurstelling overheerst. Toch maar eens kijken of ik dit jaar nog ergens in de herkansing kan.
Woensdagavond ben ik moe. Gewoon moe. Doordat ik de volgende dag kaartjes voor een concert heb en vrijdag naar een toneelstuk ga, moest ik de dagen daarvoor even creatief schuiven met mijn hardlooptrainingen. Het gevolg is dat ik een paar zware trainingen achter de rug heb zonder enige vorm van rust er tussenin en ik woensdagmiddag al piepend en krakend hardlopend naar huis ga. Het was lekker, het was fijn, maar ik ben blij dat het er op zit. Het had echt niet veel langer moeten duren.
Wat volgt is een gehaast avondeten, een kort bezoek van een loodgieter die naar een kleine lekkage komt kijken en ik sluit mijn dag af met het nog eenmaal nalezen van een rapport dat De Atheïst voor haar deeltijdstudie in moet leveren. Tenminste, ik denk dat ik mijn dag daarmee afsluit, want volgens De Atheïst moet ze nog hardlopen. Toch?
Heel even kom ik in de verleiding om te zeggen dat ze het uit mag stellen. Heel even maar. Het gebeurt op het moment dat ik naar buiten kijk in de richting van de donkere en beregende omgeving waar we moeten gaan hardlopen. Ik zie hoe de wind met de bomen speelt en ook al zit ik zelf lekker warmpjes binnen, toch voel ik haast de kou van buiten. Ik voel hoe die mijn lichaam binnentrekt en mijn toch al stramme en stijve spieren nog eens extra teistert. Ik heb er gewoon even oprecht geen zin in.
Maar toch gaan we. Naar buiten. Hardlopen. De Atheïst heeft het de afgelopen weken namelijk hardnekkig volgehouden en er beginnen zelfs steeds vaker van die momentjes te komen dat haar hardlopen ook echt die naam verdient. Het gaat iets minder langzaam dan vroeger en de afstand van vijf kilometer die haar een paar maanden terug nog onmogelijk leek, is nu zelfs bijna gewoontjes geworden. Ik heb het zelfs al aangedurfd om voor te stellen dat we binnenkort een rondje Zevenhuizerplas kunnen lopen, eventueel met een pauze ertussenin, en dat is toch nog 2,5 kilometer langer. Haar reactie daarop was veel minder afwijzend dan ik had verwacht.
Maar nu is dat even niet aan de orde. Nu wil ik het liefst zo kort mogelijk hardlopen, maar De Atheïst heeft andere plannen. Door het concert en het theater wordt namelijk ook haar aantal hardloopdagen beperkt en daarom wil ze perse vijf kilometer gaan lopen. Treuzelend trek ik mijn hardloopkleding aan. Mijn schoenen. BliepBliep zoek ik op. Ik rek het allemaal zo lang mogelijk terwijl De Atheïst, geheel tegen haar gewoonte in, al lang en breed op mij zit te wachten.
Heel mijn lichaam protesteert. Alsjeblieft. Nee. Kom op. Je HEBT al gelopen vandaag. Het is KOUD buiten. Geef me de tijd om je spieren te laten herstellen. Hier BINNEN. Waar het WARM is. Kijk naar die TV dan. Die lekkere bank. Dat behaaglijke dekentje. WAAROM toch? WAAROM wil je nu nog naar buiten?
Maar dan zijn we buiten en is mijn tegenzin ook in één keer weg. Het stramme gevoel in mijn spieren is na een minuut of twee al verdwenen en het gaat eigenlijk best lekker zo. Met voldoende kleding valt de kou zelfs nog wel mee en ik heb zelfs het gevoel dat ik echt aan het hardlopen ben. Zeker omdat De Atheïst bezig is met haar snelste twee openingskilometers ooit.
Maar dat laatste is helaas een beginnersfout. Te snel gestart. Ik wist het wel, maar De Atheïst heeft liever niet dat ik er wat van zeg. Als ik er al wat van zeg, dan moet ik niet zeggen dat ze 'te snel' gaat, maar gewoon 'niet langzaam genoeg'. Dat laatste vindt ze namelijk meer recht doen aan haar eigen tempo en bij nog langzamer lopen heeft ze het gevoel dat ze stilstaat. Terwijl dat een paar weken terug toch echt haar normale hardlooptempo was.
De laatste drie kilometers lijdt De Atheïst onder haar beginnersfout. Ze heeft het zwaar en zet met pijn en moeite door. Ik heb het daarentegen enorm naar mijn zijn en ik ben blij dat ik ben gegaan. Bijna had ik namelijk ook zelf een beginnersfout gemaakt. Misschien wel de grootste beginnersfout die er bestaat. Bijna had ik namelijk een excuus bedacht om niet te gaan hardlopen.
Toen ik zeveneneenhalf jaar geleden mijn eerste halve marathon liep, en dan vooral tijdens de laatste paar kilometers, kon ik nog niet vermoeden dat dit ooit mijn favoriete afstand zou worden. Die allereerste legde ik nog net binnen de 1 uur en 50 minuten af en in de loop der jaren is mijn PR in zes stappen omlaag gebracht naar 91 minuten en nog wat seconden.
Toch is het maar weinig keren voorgekomen dat ik aan een halve marathon heb deelgenomen met vooraf ook echt als doel om mijn PR te verbeteren. Ik loop ze meestal omdat ik het gewoon heel erg leuk vind om een halve marathon te lopen. Juist deze afstand heb ik in het verleden meerdere malen gebruikt om het gewoon eventjes rustig aan te doen en te genieten van de wedstrijd en de omgeving. Soms functioneerde ik met alle plezier zelfs als haas.
Maar nu is daar die vervelende 90 minuten grens op de halve marathon. Een grens die ik wil verbreken. Een grens waarvan ik weet dat ik die inmiddels onder goede omstandigheden zou moeten kunnen verbreken. Een grens ook waar ik bijna net zo gek van word als de 40 minuten grens op de 10 kilometer. Het enige verschil tussen die twee grenzen is dat ik bij de halve marathon al veel langer het gevoel heb dat ik er op niet al te lange termijn onder zou moeten kunnen duiken. Het wordt, kortom, verdomme ook maar eens tijd dat ik dat ga doen.
Aanstaande zondag is er de Drechtstedenloop, een halve marathon met de start in Dordrecht en daar moet het dan maar gaan gebeuren. Deze ga ik niet zozeer voor de lol lopen, maar ook echt met als doel om onder die grens uit te komen. Het is niet echt mijn stijl om mijzelf vooraf al zo veel druk op te leggen, maar ik vind gewoon dat het er maar van moet komen. Eens kijken hoe ik presteer onder die druk en hoe het is om mezelf voor de verandering eens niet van alle kanten in te dekken.
Ja, ik weet dat er een kans op regen is. Ja, ik weet dat er wat klimmetjes in het parcours zitten. Ook weet ik dat er wat wind zal staan en dat we die vooral op het laatste stuk tegen zullen krijgen. Het zal vast niet makkelijk worden om onder die grens te duiken, maar ik moet het gewoon proberen.
Herstel... Ik moet het gewoon gaan doen!
Bij de start had ik weer eens geluk. Uit bescheidenheid sta ik altijd ergens achter de voorste rijen, waardoor ik mezelf na het startschot regelmatig eerst langs iPod-luisterende en tennisschoenen dragende hardlopers moet werken. Dit keer weken de mensen voor me bijna als geregisseerd opzij en lag de weg voor me open. Op een wat sterke wind na was er dan ook niets meer dat een goede tijd op de tien kilometer in de weg zou kunnen staan.
Het zelf opgelegde tempo van vier minuten de kilometer lag me in het begin erg goed. Het is vreemd om te zien hoeveel moeite het kost om dat tempo er tijdens een training uit te persen en hoe makkelijk het soms is om dit tijdens een wedstrijdje te lopen. De eerste twee kilometers was ik dan ook voornamelijk bezig met niet al te snel te lopen. Iets dat blijkbaar meer mensen hadden moeten doen, gezien het aantal lopers dat ik voorbij aan het gaan was.
Na die eerste kilometers draaiden we tegen de wind in en was het opeens helemaal niet zo makkelijk meer om dat tempo vast te houden. Het kleine groepje waarin ik zat, probeerde nog wel wanhopig aansluiting te vinden met een ander groepje vlak voor ons, maar tegen de tijd dat we daar waren aangekomen, waren er maar weinig van ons over. Maar nog steeds lag ik goed op schema en na vijf kilometer kwam ik keurig netjes in twintig minuten door.
Die tussentijd was weliswaar tien seconden langzamer dan de tussentijd van mijn PR, maar toen verloor ik op het einde nog veel tijd. Aangezien we door een draai in het parcours nu plotseling de wind in de rug kregen, begon ik langzamerhand in een nieuw PR te geloven. Heel even flitste zelfs de mogelijkheid van een sub veertig minuten door mijn hoofd heen, maar die gedachte moest ik net zo snel laten gaan als de restanten van mijn groepje voor en achter mij. Het ging gewoon niet meer zo gemakkelijk en na zes kilometer liep ik met nog maar één iemand anders direct achter mij.
Deze laatste loper in mijn groepje had pas echt zwaar. Ik hoorde hem hijgen. Ik hoorde hoe moeilijk hij het had en dan viel het bij mij eigenlijk nog wel mee. Alleen ging het niet meer zo heel erg snel als in het begin. Ik kon er niets aan doen dat ik elke kilometer toch weer een paar seconden kwijt raakte op dat magische schema van 40 minuten. Net zoals ik ook de laatste loper van mijn groepje tussen kilometers zeven en acht ergens achter mij verloor.
Op weg naar de finish, die je al snel kon zien en horen, was er nog even een gemeen lusje waarbij we weer van de finish weg moesten lopen. Niet goed voor het moraal en daardoor ook niet goed voor het tempo. Opnieuw morste ik enkele seconden, maar daarna kon ik eindelijk volle bak richting de finish. Pas in de laatste meters kwam de finish-klok in zicht en wist ik zeker dat ik mijn PR zou gaan verbeteren. 40 minuten en 22 seconden werd het uiteindelijk. Bijna twintig seconden van mijn oude PR er af gelopen, maar nog steeds net zoveel seconden en zelfs nog iets meer verwijderd van die 40 minuten grens. Het wachten is nu nog alleen op het moment dat ik 's nachts badend in het zweet wakker word van een nachtmerrie die precies 40 minuten duurt. En geen seconde korter...
Er staat wind, aardig wat zelfs, dus in een groepje meelopen zou heel welkom zijn. De eerste kandidaat daarvoor loopt in de eerste kilometer zomaar bij me weg en net als ik denk dat ik het weer eens helemaal alleen moet doen, komt er van achter in het veld iemand naast me lopen. En dan voor me. En dan achter me. Ha fijn. Een ervaren hardloper. Iemand die er niet vies van is om af en toe wat kopwerk te doen.
Het is hard werken tegen de wind in, een PR heb ik al snel uit mijn hoofd gezet, maar eigenlijk gaat het best lekker zo. Pas na een kilometer of zes verlies ik wat snelheid als ik mijn medeloper ergens achter me bij een drankpost kwijt raak. Gelukkig wordt hij een kilometer later weer keurig netjes bij me afgeleverd door een groepje tien kilometerlopers die er aardig de vaart in houden.
Maar dan begint het echte werk, het lopen tegen de wind in. Het zal allemaal vast niet zo erg zijn geweest als tijdens de marathon in Zeeland een dag eerder, maar zwaar is het wel. Toch merk ik dat het mij beter afgaat dan mijn medeloper. Ik doe het meeste kopwerk en een paar keer heb ik het gevoel dat hij er bijna van afwaait. Om wat energie te sparen voor het keerpunt, het punt waarop we met de wind mee richting de finish mogen lopen, laat ik hem ook nog wat kopwerk doen. Nog steeds lopen we vrijwel hetzelfde tempo, maar achter iemand aan lopen kost aanmerkelijk minder moeite.
Bij het keerpunt over het steile bruggetje neem ik de kop over en het tempo schiet omhoog. Met nog maar een paar kilometer te gaan, probeer ik uit te rekenen op welke tijd ik uit kan komen en tevreden constateer ik dat het waarschijnlijk een hele lage 1 uur 32 gaat worden. Dat zou maar een halve minuut boven mijn PR zijn en dat belooft dus nog wat voor de halve marathon in Dordrecht die ik later deze maand wil lopen.
Nu komt mijn medeloper voorbij om zijn deel van het kopwerk te doen. Wat mij betreft voor de laatste keer, omdat ik nog heel even wat krachten wil sparen om in de laatste twee kilometers flink door te trekken. Ik ben er dan ook van overtuigd dat ik hem er nog wel eventjes af ga lopen. Als er opeens een gaatje valt, snap ik het in eerste instantie ook niet. Waddafak? Is hij nou echt aan het versnellen?
Maar hij is niet aan het versnellen, in tegendeel. Ik ben aan het verlangzamen. Hij kijkt om, hij ziet het gaatje en hij houdt zelfs nog even in zodat ik bij kan komen. Sympathiek. Met een laatste krachtsinspanning kom ik er zelfs weer bij om enkele tientallen meters later toch weer te moeten passen. Ik zit nu op 18,5 kilometer, de finish is al dichtbij, maar leuk is het niet om het gat zo snel zo groot te zien worden.
In de laatste kilometer word ik zelfs nog met hoge snelheid door twee andere lopers voorbijgelopen. Beide keren probeer ik tegen beter weten in en hopeloos tevergeefs aan te klampen, maar die laatste stuiptrekkingen zorgen er wel voor dat ik nog net binnen de 93 minuten finish: 1 uur, 32 minuten en 58 seconden. Slechts twee keer ben ik sneller geweest dan dit en ondanks de kleine inzinking op het einde barst ik van het zelfvertrouwen. Op 25 oktober ga ik in Dordrecht absoluut aan aanval doen op mijn PR.
Het is zover. Jarenlang heb ik de kansrekening getart door praktisch blessurevrij hard te lopen, maar nu moet ik er echt aan geloven. In al die tijd kan ik me zelfs maar één keer een blessure herinneren waardoor ik gedwongen was om even een pauze in te lassen. Maar dat is inmiddels al zo lang geleden dat ik me niet eens meer de precieze details kan herinneren. Het ene moment was er die constante pijn tijdens het hardlopen en toen ik het twee of drie weken later weer probeerde, was die pijn weer weg.
Maar nu moet ik dus voor de tweede keer een pauze inlassen. Ik heb een blessure. Soort van. Geen achillespeesblessure, knieblessure of een liesblessure, maar een kiesblessure. Dat was het gevolg van het eerste gedeelte van de wortelkanaalbehandeling die ik vorige week mocht doorstaan en die dus blijkbaar niet helemaal is gelukt.
In eerste instantie dacht ik nog dat het ging om een gevalletje napijn. Nog altijd beter dan de tijdenspijn en in mijn geval ook redelijk te controleren met pijnstillers. Ik besteedde er dan ook niet al te veel aandacht aan. Afgelopen zondag ging het zelfs al zo goed dat ik het aandurfde om de 15 kilometer in Vlaardingen te lopen met slechts twee paracetamol achter de kiezen. Er zijn zelfs mensen die zouden zeggen dat ik alleen al daarom een keiharde bikkel ben, maar dat zijn dan wel mensen die mij niet tijdens de wortelkanaalbehandeling hebben meegemaakt.
Dinsdag begon ik toch opeens weer wat last te krijgen. Het gekke was dat het hier niet om een constante pijn ging, maar enkel om een pijn die opkomt tijdens het lopen. De eerste minuten merk ik niks, dan begint het langzaam op te komen en uiteindelijk bestaat alles rondom me en in me alleen nog maar uit pijn.
Volgens mijn tandarts zit er ergens in je schedel een mechanisme van wat hij stootkussentjes noemt die er voor zorgen dat je tanden niet uit je mond klapperen terwijl je aan het lopen bent. Bij mij zit de ontsteking nu zo diep dat de ontsteking deze stootkussentjes nadert en het gevolg is dat ik daar nu tijdens het lopen last van heb. Een antibioticakuur zou moeten helpen, maar totdat die aanslaat zit hardlopen er voorlopig even niet in.
De tijd dringt, want aanstaande zondag is er een halve marathon bij mijn club die ik heel erg graag zou willen lopen. En eigenlijk baal ik er ook stevig van dat ik de afgelopen dagen een paar trainingen heb moeten overslaan, terwijl het nu juist de laatste tijd zo lekker ging.
Blessures zijn natuurlijk sowieso niet leuk, maar al helemaal niet op een plek waar je dat het minste zou verwachten. Dan kun je nog zo goed naar je lichaam luisteren en bij het minste of geringste vermoeden van dempingsverlies in je schoenen een nieuw paar kopen, maar dit is iets waar je al niets tegen kan doen. Denk ik tenminste. Tenzij Nike hier natuurlijk op inspringt met een speciale hardlooptandenborstel. Dan houd ik me graag aanbevolen.
Vooraf had ik best hoge verwachtingen over de 15 kilometer in Vlaardingen. De trainingen gaan goed, ik had pas nog een PR gelopen op de 10 kilometer en mijn laatste 15 km was begin juli wegens veels te zomerse omstandigheden mislukt. Tijd dus om het allemaal beter te gaan doen.
Maar eenmaal in Vlaardingen aangekomen, werden mijn verwachtingen snel getemperd. De zon scheen, het was warm en iedereen hoorde ik maar klagen en zeuren over de zon. "Een goeie tijd kun je vandaag wel vergeten", zei de een en de anderen knikten instemmend. Aangezien ik altijd wel een goed excuus kan gebruiken voor een wat mindere tijd, sloot ik me daar dan ook graag bij aan.
De eerste paar kilometers verbaasden mij dan ook. Ik had me moeiteloos aangesloten bij een groepje dat in de buurt hing van een aantal clubgenootjes die normaal gesproken veel sneller zijn dan ik. Na een kilometer of twee, drie zijn ze meestal al stipjes in de verte geworden, maar alhoewel ze dit keer wel afstand namen, hield ik ze nog altijd in zicht. Mijn eigen groepje vond ik intussen ook al te langzaam gaan, maar ik heb inmiddels al zoveel wedstrijdjes verprutst door in mijn eentje te willen lopen, dat ik nu maar eens rond bleef hangen.
Dat ging lang heel erg goed. Soms zakte het tempo wat, soms ging het even wat sneller en om mijn dankbaarheid aan het groepje te tonen, deed ik zelfs hier en daar wat kopwerk. Maar nog steeds ging het te langzaam naar mijn smaak en ik moest me inhouden om niet gewoon weg te lopen. Dus toen ik na de drankenpost op 10 km opeens alleen bleek te lopen, vond ik het eigenlijk wel best zo. Achter me had mijn groepje blijkbaar wat getreuzeld bij de bekertjes water, waardoor er ongemerkt toch een klein gaatje tussen mij en hen was gevallen. Dan maar doorlopen, dacht ik en dat bleek later een foute beslissing te zijn.
Tempo maken bleek al snel toch een stuk lastiger te zijn dan tempo volgen en nog ietsjes later begreep ik eindelijk waar al die zeurpieten het bij de start over hadden. Het was inderdaad warm, ik was moe en het ging gewoon allemaal niet meer zo makkelijk als in het begin. Het soepele lopen werd ingeruild voor keihard buffelen. Met anderhalf kilometer te gaan, werd ik zelfs nog ingehaald door twee lopers van het groepje dat ik vlak daarvoor nog achter me had gelaten. Clubgenootjes zelfs. Twee mensen die dus blijkbaar slimmere hardlopers zijn dan ik. Klote, maar terecht. Had ik maar verstandiger moeten lopen. Niks aan te doen.
Met mijn tijd van 1 uur, 4 minuten en 16 seconden was ik overigens meer dan tevreden. Het is een van mijn beste tijden op deze afstand en ook al ging het op het laatst wat moeilijker, toch heb ik vrijwel geen verval gekend. Als het zo doorgaat, dan staan me op loopjes in de komende paar maanden nog een paar hele mooie tijden te wachten.
Laatste reacties