| ma | di | wo | do | vr | za | zo |
|---|---|---|---|---|---|---|
| 1 | 2 | 3 | 4 | 5 | 6 | 7 |
| 8 | 9 | 10 | 11 | 12 | 13 | 14 |
| 15 | 16 | 17 | 18 | 19 | 20 | 21 |
| 22 | 23 | 24 | 25 | 26 | 27 | 28 |
Voor mij is het de eerste keer baantraining en dus loop ik wat onwennig rond. Op de baan lopen de eerste atleten al hun rondjes. Ze zien er veel sneller uit dan ik en daarom zie ik er een beetje tegenop om straks op diezelfde baan te moeten lopen. Het voelt gewoon niet helemaal goed. Voor mij zijn dat toch een beetje de echte atleten en vergeleken met hun voel ik me maar een simpel en eenvoudig hardlopertje. Ik heb niet het idee dat ik daar echt iets te zoeken heb.
Aan de andere kant kan het me gelukkig ook weer allemaal geen ruk schelen en dus doe ik maar net alsof ik daar al jaren kom. Ik draai daarom gewoon met mijn eigen groepje de eerste warmloop rondjes en kijk goed om me heen hoe de anderen dat doen. Leuk, vind ik het. Hier kan ik best aan wennen. Ik voel me zelfs meer hardloper dan ik eigenlijk al ben.
Tijdens de eerste paar korte versnellingen blijkt al snel mijn onervarenheid. Ik ga te snel van start, loop daardoor meteen in de weg en bots bijna tegen een medeloper aan. In het vervolg laat ik de rest dan ook netjes voorgaan en zoek keurig mijn plek op. Inderdaad ja. Ergens achteraan.
De drie volgende versnellingen duren met twee kilometer per stuk allemaal iets langer en daardoor krijgen mijn medelopers de kans om op een veilige afstand van me uit te lopen. Ik blij, omdat ik me dan niet langer gek kan laten maken en zij blij omdat ik ze dan niet langer per ongeluk van de baan kan beuken. Nu begin ik pas echt te merken hoe het is om op de baan te lopen. Een beetje saai natuurlijk, omdat het telkens maar dezelfde rondjes zijn, maar aan de andere kant is het ook veel gemakkelijker om daar snel te lopen. Op het asfalt van mijn trainingsroutes heb ik daar over het algemeen veel meer moeite mee.
Naast mij zie ik opeens iemand naar rechts duiken. Verwonderd vraag ik me af waarom hij dat toch doet als ik opeens wordt ingehaald door een veel snellere loper. Aha, denk ik nog, dus zo moet dat! Netjes opzij gaan voor de snellere lopers. Dat kan ik ook!
Met dat in gedachten speur ik de baan af op zoek naar de lopers die steeds verder op me zijn uitgelopen en ik stel vast dat zij me op een gegeven moment in zullen halen. Vervelend, maar het is nu eenmaal zo. Het geeft me in ieder geval de kans om mijn zojuist aangeleerde hardloop etiquette in praktijk te brengen. Als ze bijna genaderd zijn, ga ik dan ook keurig netjes opzij en ik laat ze links van me passeren. Niemand valt om, er hoeven geen ellebogen van mijzelf uit iemands lijf gepeuterd te worden en ik ben super tevreden met mezelf. Dat heb ik toch maar even mooi opgelost, denk ik nog.
Na afloop van de training word ik gelijk uit die waan gehaald. Ik had helemaal niet naar rechts gehoeven. Het is blijkbaar de regel dat je jouw versnelling gewoon af mag maken. Zij hadden me dus gewoon rechts moeten passeren en in dit geval was mijn lopersbeleefdheid net iets te ver doorgeslagen. Ik voel me opeens heel erg nietig. Zo'n sukkel die nergens van af weet. Een noob, een newbie, een amateur, een groentje.
Een beginneling.
Maar wel eentje die vast van plan is om die status zo snel mogelijk kwijt te raken.
Soms overkomt mij opeens het krokodillengevoel. Dat is mijn eigen korte omschrijving van het gevoel dat ik jaren geleden voor het eerst meemaakte toen ik de film Crocodile Dundee voor de tweede keer zag. Klinkt verwarrend, maar dat is het niet. De film ging namelijk over een Australische man van het platteland die in New York werd geplaatst en alle komische situaties die dat tot gevolg had. Ik keek die film voor de tweede keer toen ik zelf al een aantal maanden in Australië woonde in het kader van een jaartje high school en opeens vielen mij dingen op die mij nog niet eerder waren opgevallen. Het wonen in Australië had er voor gezorgd dat ik op een hele andere manier naar die film was gaan kijken en zelfs de meest subtiele en verborgen Australische grappen begreep.
Gisteren had ik het weer, dat krokodillengevoel. De Atheïst en ik waren namelijk bij een voorstelling van Dolf Jansen in Rotterdam. Daarin fungeerde zijn hardloopboek 'Altijd Verder' als rode draad. En inderdaad werden we regelmatig getracteerd op anekdotes uit zijn hardloopbestaan.
Herkenbaar dus. Voor mij in ieder geval en vast ook voor sommige andere mensen, maar er waren waarschijnlijk nog genoeg mensen in de zaal die iets minder met hardlopen hebben. Dat besefte Dolf ook en er waren dus een aantal dingen die hij voor de niet-hardlopers in de zaal toch nog even moest verduidelijken en uitleggen. Zie daar het krokodillengevoel. In de context van het hardloper-zijn snapte ik sommige opmerkingen en verhalen van Dolf op een hele andere manier dan het luidruchtig lachende echtpaar achter me. Dat waren immers zeker geen hardlopers.
Zo moest Dolf voor alle zekerheid aan het publiek uitleggen dat de marathon uit 42 kilometer en 195 meter bestaat. Ik snapte hem, want hoe vaak heb ik dat zelf al niet moeten vertellen? En vervolgens benadrukte hij op zijn geheel eigen wijze dat dit toch echt wel een enorm pokke-eind is en dat daarna alles pijn doet, maar dan ook echt alles van je hoofd tot je tenen aan toe. De zaal lachte en ik lachte mee. Om Dolf, om mezelf, omdat ik het herkende en ook omdat ik weet hoe het voelt om dat uit te moeten leggen. Daarmee lachte ik ook een beetje om de onwetendheid van veel van die mensen om me heen. En ik lachte ook omdat ik wist dat tegelijkertijd ook weer mensen zijn die Dolf uit zouden lachen. Een marathon een pokke-eind? Wat dacht je van 100 km?
Ik begreep Dolf. Zijn enthousiasme, zijn bevlogenheid, zijn drang om andere mensen te vertellen over het onderwerp hardlopen. Maar ook zag ik nu eens van de andere kant hoe mensen daar op reageren. Of beter gezegd: hoe ze daar soms juist niet op reageren. Het hardloopgevoel dat hij bijvoorbeeld probeerde over te brengen. Het gevoel dat je soms hebt dat het zo lekker en zo makkelijk gaat dat je uren door kunt lopen zonder moe te worden. Zijn er niet-hardlopers die dat snappen?. Zijn er niet-hardlopers die de volledig terechte en denigrerende opmerkingen over Nordic Walkers tot in de finesses kunnen begrijpen?
Voor mij was het als hardloper zijnde net even iets meer dan zomaar een leuk avondje uit. Het was als lachen op werk om grappen die alleen jij en je collega's begrijpen. Het was dat typische "je had er bij moeten zijn gevoel" als de grap niet overkomt. Het was het onwennige aftasten van nieuwkomers die nog niet alles weten. Het wa dat typische krokodillengevoel.
Als hij zijn loopkleren aantrekt, weet hij al dat dit wel eens de laatste keer zou kunnen zijn. Het lichaam wil niet meer. Hij is oud. Met pijn en moeite weet hij zichzelf nog net voldoende te bukken om zijn veters te strikken en zelfs gaat dat tergend langzaam. Zijn verkrampte vingers kunnen maar met moeite de knoop leggen, maar hij weet ook dat hij het toch echt zelf moet doen. Als hij de zuster hiervoor zou bellen, dan zou hij worden uitgelachen. Of meneer niet veel beter binnen kan blijven? Meneer weet toch dat de dokter hem heeft verboden om hard te gaan lopen?
Hij weet ook dat het niet slim is wat hij doet. Maar hij moet gewoon. Nog één keertje. Om afscheid te kunnen nemen van die sport die zo veel voor hem heeft betekend. Stoppen is iets dat hij zelf moet doen en niet omdat een of ander jong doktertje dat tegen hem had gezegd. "Stoppen?", had hij uitgeroepen, "Stoppen? Als ik elke keer was gestopt als mijn lichaam daarom had gevraagd, dan was ik in al mijn tientallen marathons nooit verder gekomen dan 30 kilometer!"
Maar natuurlijk luisterde niemand naar hem. Zoals er al jarenlang eigenlijk niet meer naar hem geluisterd werd. De mensen waren zijn verhalen over vroeger al meer dan zat en familie en vrienden had hij niet meer. Uitgestorven. Dood. Grappig eigenlijk. En zuur. Sinds hij namelijk met hardlopen was begonnen, al vele tientallen jaren geleden, had hij meteen geroepen dat hij wel eens heel oud zou kunnen worden dankzij zijn sport. En hij had gelijk gekregen. Zelfs een ietsje teveel gelijk. Terwijl jaar na jaar de mensen om hem heen met bosjes tegelijk omvielen, was hij op een dag als enige overgebleven. Samen met het hardlopen. En nu was zelfs die vriend op sterven na dood.
Het oude lichaam zet zich nog een laatste keer in beweging. Eerst doet alles pijn, vooral heel veel pijn, maar langzaamaan begint de pijn dragelijk te worden. Qua pijn is het nu ongeveer te vergelijken met een normale wandeling. Daar kan hij tegen. Ooit hadden ze hem gezegd dat het beter voor hem zou zijn om met een wandelstok te lopen, maar daar had hij hard om moeten lachen. "Stokken?", had hij uitgeroepen, "Stokken? Ik ben toch zeker geen Nordic Walker?"
Maar niemand die hem snapte. En koppig als hij was, had hij geweigerd om een wandelstok aan te nemen. Dan maar wat extra pijn tijdens het lopen, dat maakt hem niets uit. Alles beter dan met stokken lopen en kijk eens aan... Hij kan nu zelfs iets van hardlopen, al is het dan voor de laatste keer. Dat voelt hij gewoon. Terwijl hij zo aan het voortsjokken is, kijkt hij bewonderend naar al die andere hardlopers om hem heen. Wat lopen die snel. Hoe soepel gaat dat toch.
Ooit was hij zelf ook snel. Of in ieder geval een beetje snel. Toen hij nog jong was, had hij zelfs een keer de tien kilometer bijna onder de veertig minuten gelopen. Bijna. Na jaren van vooruitgang waarin ook die grens van veertig minuten in zicht was gekomen, was het plotseling wat minder gegaan. Of ja plotseling... Eerst was daar natuurlijk die winter, waardoor hij niet goed door had kunnen trainen en meteen daarop volgde die vakantie van vier weken in Australië. Daarna was het alleen maar minder geworden en had hij alleen nog maar voor het plezier kunnen lopen. Tijden deden er niet meer toe.
En nu was zelfs dat voorbij. Na twintig minuten hardlopen belet een laatste pijnscheut hem om verder te lopen. Hij grijpt naar zijn heup, strompelt naar een bankje toe en rust uit. Dat was het dan. Zijn hardloopleven zit er op. Die gouden tijden van weleer komen nooit meer terug. Misschien had hij er meer van kunnen maken als hij toen in dat verre verleden had doorgetraind, maar spijt heeft hij niet. Nooit spijt. Zelfs zonder snelle tijden heeft hij altijd plezier gehad, maar nu heeft de pijn in zijn lichaam dan eindelijk de pijn van het moeten stoppen overtroffen.
Terwijl de pijn langzaam uit zijn lichaam langzaam weg trekt, kijkt de man droevig uit zijn ogen. Hij staart wat naar zijn hardloopschoenen die hij weldra voor de laatste keer uit zal moeten trekken. Hij bedenkt wat zinnen voor zijn laatste weblogje. Denkt terug aan de tijd toen hardlopen nog normaal was. Toen het deel uitmaakte van zijn leven en toen het leek alsof dat ook altijd zo zou blijven.
Was het maar weer 2010. Was hij maar weer jong. Was hij maar weer snel.
Dinsdag. Iets na vijven. Als een echte kantoorslaaf wandel ik naar buiten. Iets gehaaster dan normaal, want dit is de dag waarop ik altijd met mijn trainingsgroep mee train. Ik probeer dan ook altijd zo vroeg mogelijk thuis te zijn zodat ik me in alle rust om kan kleden en ook nog genoeg tijd heb om de ruim vijf kilometer naar de afgesproken plek hardlopend af te leggen. Zoals altijd heb ik er heel erg veel zin in.
Dinsdag. Iets na achten. Ik ben niet aan het hardlopen. In plaats daarvan zit ik chagrijnig op de bank. Ergens is er iets heel erg mis gegaan.
Eigenlijk ging het al mis vlak nadat ik het kantoor was uitgelopen. De route naar de metro toe is op sommige plekken nog altijd bedekt met ijs en terwijl ik half schaatsend en glibberend mijn weg vervolg, begin ik steeds minder zin te krijgen in hardlopen.
Daar! Ik heb het gezegd. Geen zin in hardlopen. Dat typeert een beetje mijn stemming sinds de eerste lagen ijs zich op de paden gingen vormen. In het begin had het nog wel iets heroïsch om super voorzichtig rond te lopen terwijl ik er uit zag alsof ik nodig moest poepen. Ik moest soms zelfs meer dan een minuut per kilometer inleveren als ik me met gevaar voor eigen leven op zo'n spekglad stukje weg begaf. Maar ik vond dat het erbij hoorde. Dat heb je als hardloper nu eenmaal te accepteren.
Al snel was de lol er echter vanaf. En aangezien ik geen stok achter de deur heb zoals een voorjaarsmarathon en ik ook nog eens weet dat ik straks vier weken op vakantie ben met weinig tot geen hardlopen, was de verleiding groot om dan maar helemaal niet te gaan hardlopen. Want als je echt even geen specifiek doel hebt en alleen maar voor de lol loopt, dan moet je niet gaan lopen als het plezier weg is. Ik althans vind er geen reet aan om niet lekker door te kunnen lopen en elke seconde bang te zijn dat mijn benen onder me vandaan vliegen en ik keihard op m'n bek ga.
Achteraf kan ik zeggen dat ik een fout heb gemaakt. Dinsdagavond was ik niet te genieten en zelfs woensdag zat het me nog dwars dat ik de dag ervoor niet was gaan hardlopen. Ik dacht dat ik een goede beslissing had gemaakt, omdat te veel paden nog steeds onbegaanbaar zijn, maar ik had het fout. Zelfs in dit soort omstandigheden is niet hardlopen nog altijd vervelender dan wel hardlopen.
Hartje zomer kreeg ik nog wel eens de opmerking naar mijn hoofd geslingerd dat het voor mij wel fantastisch weer zou moeten zijn om in hard te lopen. Zonnetje, lekker warm en dan fijn een stukje hardlopen... Ja, daar konden zelfs de niet-hardlopers zich wel iets bij voorstellen.
Helaas voor hen moest ik dat altijd weer ontkrachten. Warm weer is inderdaad erg lekker, maar vaak niet om hard te lopen. Het is niet voor niets dat ik in de zomer eigenlijk maar nauwelijks boven de 15 kilometer per keer uitkom. Geef mij maar de winter, zeg ik dan. Zodra de temperaturen richting de nul gaan, kan ik weer fijn langere stukken gaan hardlopen.
Aan dat soort uitspraken moest ik gisteren nog even terugdenken. Temperatuur: net boven nul. Weertype: lichte regen. Wind: matig. Eigenlijk het soort weer waarvan ik in de zomer nog gezegd zou hebben dat het veel beter in hardlopen is dan met een graadje of 25 met een zonnetje erbij. Nou, vergeet het maar... Daar had ik dus even een mooie denkfout gemaakt.
Wat ik in de zomer namelijk voor het gemak nog wel eens vergeet, is dat ik een enorme koukleum ben. Ik heb het gewoon snel koud. Sowieso kom ik altijd slecht op temperatuur, maar armen, benen en hoofd spannen wat dat betreft de kroon. Vol bewondering kijk ik dan ook naar de mensen die ik zelfs nu nog soms tegenkom en die deze temperaturen trotseren met slechts een halflange broek en/of een shirt met korte mouwen. Fantastisch vind ik dat, maar ik hoef dat dus mooi niet te proberen. In dat geval zou ik pas echt weer tot de zomer moeten wachten voor ik weer ben opgewarmd.
Maar tot nu toe was het allemaal nog wel best te doen. Lopen in de sneeuw was weliswaar een beetje lastig, maar qua temperatuur vond ik het geweldig. Het was heerlijk om de eerste een of twee kilometers klappertandend af te leggen en vervolgens te voelen hoe ik alsmaar warmer werd. Soms dacht ik zelfs bij mezelf: kom, SnakeMaster, doe eens gek. Doe die handschoenen eens uit. En dan liep ik vervolgens ook echt even zonder handschoenen. Stoer vond ik dat van mezelf. Er waren zelfs momenten dat ik mezelf helemaal niet zo'n erge koukleum vond.
Gisteravond werd ik echter weer met mijn neus op de fouten gedrukt. Het begon nog zo mooi en ik liep zo lekker, maar langzamerhand begon de lichte regen zijn tol te eisen. Guur windje er overheen en het was gedaan met mij. Mijn kaak verkrampte, mijn handen bevroren en uiteindelijk moesten ook mijn bovenbeenspieren er aan geloven. Ik kwam niet meer vooruit, ik kon geen tempo meer maken en de laatste kilometers naar huis gingen tergend langzaam.
Geef mij dan toch maar die hittegolf. Als ik dan toch moet beweren dat het tegenovergestelde weertype mij beter ligt, zoals ik dat vast en zeker over een half jaar weer ga doen, dan doe ik dat liever bij een zonnetje en 20-plus graden.
Enne... Die weersvoorspellingen voor de komende twee weken... Dat van die minus 10 enzo. Hoe betrouwbaar zijn die?
Als ik aan kom lopen, zie ik dat mijn trainingsgroep al vertrokken is. Geeft niet, kan gebeuren, ik was nu eenmaal te laat. Bij mij geldt nu eenmaal dat hoe meer ik me moet haasten, hoe zekerder het is dat ik op tijd kom. En aangezien ik me dit keer niet had hoeven te haasten, deed ik alles op mijn dooie gemakkie en vertrok ik alsnog te laat van huis. Zo gaat dat bij mij.
Nu wist ik onderweg al dat ik te laat aan zou komen. Maar toch had ik geen seconde sneller gelopen dan normaal, omdat ik er vanuit was gegaan dat ik in ieder geval bij de loopscholing aan zou kunnen sluiten. Die werd immers de afgelopen weken steevast op een klein veldje vlakbij het ontmoetingspunt afgewerkt. Maar nu dus niet. Het veldje is leeg als ik aan kom lopen en in de verre omtrek zijn niet de lichtjes te zien die in deze donkere dagen bij mijn loopgroepje horen.
Ik moet dus alleen lopen. Even heb ik helemaal geen zin om hard te lopen en bijna wil ik zelfs omkeren om meteen terug naar huis te lopen. Maar de wil om hard te lopen wint het al snel van de teleurstelling van een gemiste training. Ik begin daarom gewoon zelf aan een lange duurloop.
Het alleen lopen bevalt me wel. Op deze dag, op dit tijdstip en op deze locatie krijgt het 'alleen' lopen zelfs een compleet nieuwe lading. Een half uur lang kom ik namelijk niemand tegen. Geen mens, geen dier, echt helemaal niemand. Dat overkomt me niet vaak en op dit moment bevalt me dat wel.
Alles gaat zo lekker dat ik even overweeg om er een extra lange duurloop van te maken. Het vooruitzicht om nog een uurtje langer te mogen lopen trekt me wel. Ik ben zelfs al na te denken over mogelijke routes als ik langzaam merk dat mijn lichaam niet langer wenst mee te werken. Daar gaan mijn plannen. Nu moet ik echt naar huis.
Zo werkt dat nu eenmaal op een dinsdag. Eten doe ik pas na het hardlopen, dus er komt altijd een moment dat de energie op is en ik puur op wilskracht verder moet. Die wilskracht is gelukkig ook vandaag geen probleem en als ik dan eindelijk thuis ben, heb ik er weer een fantastische training op zitten. Soms is het missen van een dinsdagavond training helemaal niet vervelend.
Zebrapaden. Het blijft lastig. Niet alleen voor de hardloper, maar ook voor de automobilist. Voor die laatste groep begon ik pas begrip te krijgen toen ik zo'n acht jaar geleden zelf mijn rijbewijs haalde. Opeens snapte ik dat het helemaal niet zo makkelijk was om te stoppen voor een voetganger bij elk zebrapad. Soms is de situatie onoverzichtelijk, soms durf je niet te remmen, omdat er een bellende mede-automobilist vlak achter je rijdt en soms neemt een voetganger pas op het allerlaatste moment de beslissing om wel, niet, toch wel over te steken.
Maar nog steeds kan de stug doorrijdende automobilist bij mij op weinig begrip rekenen. Ik snap wel dat je niet altijd kan stoppen, maar ik snap niet waarom er zo vaak wordt doorgereden. Ben je net lekker aan het lopen, moet je weer ineens inhouden. Gewoon omdat er weer zo'n klootzak op vier wielen domweg geen zin heeft om zich voor jou aan de regels te houden.
Gisteren liep ik in de richting van één van mijn beruchte oversteekplaatsen toen ik vanuit de verte zag dat het dit keer was mis gegaan. Terwijl dit nou juist één van de best zichtbare plekken is. Het zebrapad wordt verlicht en ligt ook nog eens halverwege een kaarsrechte lange weg en er zijn dus weinig tot geen beperkingen om eventjes de rem in te trappen voor een overstekende voetganger. Alleen hier werkt dat anders. Hier lijkt het wel alsof er juist weinig tot geen beperkingen zijn om eens flink het gas in te trappen en lekker door te rijden. Schijt aan alle voetgangers. Doodgaan moeten ze.
Als ik dichterbij kom, zijn ze net bezig om het meest recente slachtoffer een ambulance in te schuiven. Veel haast hebben ze niet, dus of het is niet ernstig, of het heeft allemaal toch geen zin meer. De politie probeert ondertussen om het vastgelopen verkeer langs de pontificaal op het zebrapad geparkeerde ambulance te leiden. Gottogot, wat vervelend voor al die mensen in die lange rij met auto's. Nog meer vertraging.
En daar kom ik aan. Met mijn veiligheidshesje en mijn knipperende lampjes. Duidelijk zichtbaar, zou je zeggen. De politie staat er ook nog eens met de neus bovenop. En de rij met auto's rijdt zo langzaam dat het nu wel heel makkelijk is om eventjes in te houden voor die ene hardloper, ikke dus, die zo graag wil oversteken.
Maar niet dus. Vergeet het maar. Het interesseert ze niet. Twee auto's rijden doodleuk door. De derde stopt gelukkig wel. Maar dat is misschien enkel omdat ik het inmiddels zo zat ben geworden, dat ik nu maar eens gewoon voorrang neem in plaats van dat ik wacht totdat ik het krijg. Het maakt me niet meer uit. Er is toch een ambulance in de buurt.
Bij de auto´s in de tegenovergestelde richting moet ik toch weer even wachten, maar dan lukt het me eindelijk om over te steken. Gewoon omdat er eventjes geen auto´s meer zijn. Een kilometer verderop bij een zebrapad vlak na een rotonde stoppen de mensen opeens wel voor me. Ik steek twee keer mijn duim op. Ik doe het niet graag, omdat ik vind dat zoiets vanzelfsprekend moet zijn, maar dat is het blijkbaar niet. Bedankt mensen. Bedankt dat jullie wel voor me willen stoppen.
Vlak bij mij in de buurt wordt al bijna tien jaar lang gebouwd aan de nieuwe Rotterdamse wijk Nesselande. En alsof die mensen het al niet zwaar genoeg hebben om tussen de hijskranen en het bouwverkeer door ook nog eens elke keer naar die typische exemplaren van de Nederlandse bouwstijl te moeten kijken, hadden ze daar niet eens een winkelcentrum. Er was wel een Albert Heijn en er waren ook nog een paar andere piepkleine winkeltjes, maar allen waren ze gehuisvest in van die hele treurige bouwketen. Die waren oorspronkelijk bedoeld als tijdelijk, maar de bouw van het echte winkelcentrum werd steeds maar uitgesteld en uitgesteld en toen ze eindelijk begonnen waren, schoot het maar niet op.
Maar binnenkort is het dan eindelijk zo ver. Dan mogen de Nesselandse hardlopers hun sportdrankjes gaan kopen in een echte supermarkt in een echt winkelcentrum. En om dat te vieren hadden ze afgelopen weekend een wedstrijdje om de Zevenhuizerplas georganiseerd. Helemaal gratis mocht je één of twee rondjes afleggen, te weten zeven of veertien kilometer. Ik koos voor de laatste optie.
Helemaal voluit wilde ik echter niet gaan. Veertien kilometer is toch niet echt een courante afstand en bij een goede tijd zou ik alleen maar balen dat het allemaal net een kilometer te kort was. Het eerste rondje wilde ik het daarom relatief rustig aan gaan doen, om in het tweede rondje wat tijd goed te maken. Door de geringe opkomst bij de 14 kilometer speelde ik nog even met de gedachten om voor een goede klassering te gaan, maar toen zich direct na de start ver voor mij een groepje van een man of zes, zeven vormde, liet ik ook die gedachte gaan. Meteen daarna werd ik door nog een deelnemer van de 14 ingehaald, maar dat leek me meteen een mooi richtpunt voor het tweede rondje.
Het eerste rondje was een makkie. Zo'n tweehonderd meter voor ons was de zeven kilometer gestart en zo kon ik mezelf groepje voor groepje naar voren werken. Wel maakte ik me wat zorgen over mijn toekomstige richtpunt, want die liep gewoon lekker door waardoor ik in het tweede rondje flink aan de bak zou moeten om dat gat dicht te lopen.
Bij het ingaan van het tweede rondje werd het opeens heel rustig. Alle zeven kilometer lopers voor me waren nu gestopt en mijn persoonlijke richtpunt was alleen nog maar te zien op de lange rechte stukken. Achter mij liepen nog wel wat veertien kilometer lopers, maar na mijn eerste versnelling waren ook die al snel uit zicht verdwenen. Nu ging het alleen nog maar tussen mij en mijn richtpunt.
Bij het einde van het eerste rondje had ik al gezien dat mijn richtpunt ongeveer een minuut voorsprong op me had. Ik zou dus flink moeten versnellen om dat in het tweede rondje nog dicht te lopen, maar ik ging er vanuit dat dit wel te doen moest zijn. Tot dan toe had ik immers tien seconden per kilometer verloren, maar nu zou ik gewoon per rondje twintig seconden sneller gaan en volgens die logica zou ik er dan bij de finish weer voorbij kunnen.
In theorie leek dat allemaal zo makkelijk, maar in de praktijk was het allemaal wat lastiger. Bij de improvisorische meetpunten die ik in gedachten had, merkte ik wel dat ik enkele seconden aan het inlopen was, maar optisch gezien bleef het verschil tussen ons hetzelfde. Langzamerhand begon ik dan ook steeds meer respect te krijgen voor mijn richtpunt. Vrijwel geen spoor van verslapping. Knap hoor. Halverwege dat tweede rondje was ik zelfs helemaal niet meer zo zeker van mijzelf. Misschien zou mijn richtpunt me gewoon voor blijven.
In de twaalfde kilometer kijkt mijn richtpunt achterom en alhoewel we nog steeds ruim een halve minuut bij elkaar vandaan lopen, hebben we voor de eerste keer oogcontact. Een teken van zwakte? Twijfel? Misschien niet, maar op dat moment komt het me goed uit en zie ik het als een extra aansporing om te proberen om dat gaatje toch nog dicht te lopen. Ik begin alleen wel te merken dat de opgebouwde reserves uit het eerste rondje langzaam aan het verdwijnen zijn.
De dertiende kilometer weet mijn richtpunt weer te herstellen. Het gat dat in de kilometer daarvoor langzaam kleiner aan het worden was, blijft nu ongeveer hetzelfde. Ik vind het nog te vroeg voor een laatste wanhoopspoging en ik bereid mezelf daarom mentaal voor op de laatste kilometer. Ik weet dat het zwaar wordt. Het laatste stuk zullen we de wind direct van voren hebben en nog steeds is het gat tussen ons zo'n twintig seconden. Ik bereid mezelf al voor op een laatste kilometer van onder de vier minuten.
Aan het begin van de veertiende kilometer lijk ik me neer te moeten leggen bij een klassering achter mijn richtpunt. Het gaat hard nu, erg hard, maar mijn richtpunt verweert zich kranig. Het gat tussen ons wordt nauwelijks kleiner.
Maar dan draaien we tegen de wind in en zie ik opeens dat mijn richtpunt het voor het eerst zichtbaar moeilijk begint te krijgen. Het tempo zakt wat in en ik kom dichterbij. Bang als ik ben voor een eindsprint, want daar heb ik echt de energie niet meer voor, neem ik nog heel even gas terug om op adem te komen. Maar dan versnel ik een laatste keer en op zo'n tweehonderd meter voor de finish loop ik er eindelijk voorbij. Niet met het enorme machtsvertoon waar ik op had gehoopt, maar een haastig naar achteren geworpen blik leert me dat het genoeg is.
Ik finish in 1 uur, 2 minuten en 2 seconden en dat is net een paar seconden voor mijn richtpunt voor wie ik tijdens dat tweede rondje steeds meer ontzag heb gekregen. Niet slecht voor een vrouw...
Zeven kilometer en het gaat echt echt niet meer. Ik hou het niet meer vol. Het leuke groepje waar ik naar toe was gelopen, loopt bij me weg en het leuke groepje waar ik vandaan was gekomen, loopt op me in. Zeven kilometer. Nog niet eens de helft dus.
Het leek vooraf allemaal zo makkelijk. Thuis had ik nog even snel een blik op mijn snelste tijd geworpen en eigenlijk vond ik dat die tijd wel te doen moest zijn. Lang heb ik een nog veel snellere tijd als PR aangehouden, maar dat was bij een loopje waarvan de afstand niet klopte. Drie rondjes waren dat en elke rondje was honderd meter te kort. Dit jaar besloot ik daarom definitief om dat PR te schrappen waarmee een andere tijd, waarvan ik toen niet eens wist dat het een PR was, een plaatsje opschoof naar boven.
Maar nu zou ik willen dat ook deze afstand te kort was. Acht kilometer of zo. Want na zeven kilometer gaat het gewoon niet meer. Ik ben veels te ambitieus en te snel gestart en nu dreig ik in elkaar te storten.
En toch raak ik niet in paniek. Ik blijf kalm. In plaats van geforceerd het tempo vast te blijven houden, doe ik het heel even wat rustiger aan. Om op adem te komen. Om energie te sparen. Dat vervolgens Janna voorbij komt lopen, neem ik dan ook maar voor lief. Vandaag loop ik mijn eigen wedstrijd.
Maar dan keert het tij. Ik voel mezelf weer aansterken. Het gaat gewoon weer. Kilometer tien en ik versnel. Janna loop ik doodleuk weer voorbij, maar dat zie ik enkel als een prettige bijkomstigheid. Zelf zal ze waarschijnlijk wel zeggen dat ze gewoon haar eigen wedstrijd loopt en zo begin ik aan mijn laatste vijf kilometer met het geloof dat het helemaal goed gaat komen. Het PR dat langzaam uit mijn handen aan het glippen was, voelt opeens niet meer zo onbereikbaar.
Nog geen kilometer later maak ik zelfs één van de mooiste momenten uit mijn hardloopleven mee. Het klinkt stom voor iemand die geen hardloper is, maar heel eventjes zweef ik. Ik geniet en het voelt alsof ik knetter stoned ben. Ik laat mijn hoofd ietsjes naar achteren zakken en laat het fantastische gevoel over me heen komen. Natuurlijk had ik ook liever gewild dat het was gebeurd in een wat inspirerendere omgeving dan Zoetermeer, maar op dit moment heb ik het eventjes niet voor het kiezen. Zelfs in een veel lelijkere omgeving dan in Zoetermeer, al hoewel ik eventjes niet kan bedenken waar dat zou kunnen zijn, had ik dit mooie moment met beide handen aangegrepen.
Daarbij ben ik opgegroeid in Zoetermeer en is al die lelijkheid van de woonwijken om me heen voor mij tegelijkertijd het decor van mijn jeugd. Daardoor weet ik in die laatste paar kilometers ook precies wat me te wachten staat. Ik heb er zo vaak gefietst met mijn schooltas naar school en met mijn gymspullen naar de buitengym, dat ik elk bruggetje en elke klim hier uit mijn hoofd ken.
De lastige klim op kilometer twaalf komt dan ook niet als een verrassing. Wat wel als een verrassing komt, is hoe makkelijk het gaat. Het voelt gewoon niet als een klim. Het is een makkie en ik verlies nauwelijks snelheid. De twee mannen waar ik al een tijdje naar toe aan het lopen was, loop ik in één keer voorbij en nu nadert de finish pas echt.
Als de laatste kilometer ingaat, zie ik al dat ik het ga redden. Om te voorkomen dat ik mijn snelste tijd met slechts een handvol seconden verbeter, versnel ik zelfs nog een laatste keer. Ik zie het als iets vanzelfsprekends. Zo makkelijk gaat het gewoon dat ik zeven kilometer nadat ik dreigde in te storten, gewoon nog even een versnellinkje uit mijn mouw schud. Het is een PR. Alweer eentje. 1 uur, drie minuten en 19 seconden. Het had misschien nog wat sneller gekund, maar waarschijnlijk niet op een mooiere en beter voelende manier dan dit.
Ik denk nog regelmatig aan mijn half mislukte halve marathon van anderhalve week geleden. Waar ging het mis? Wat ging er mis? Wat kon er beter? Waarom kon ik uiteindelijk niet onder de negentig minuten komen?
De makkelijkste zondebokken heb ik allemaal al gehad. Zo was het parcours niet ideaal door een paar vervelend steile bruggen en enkele scherpe bochten. Aan de andere kant zul je ze in Nederland niet zo heel erg veel beter dan dat kunnen krijgen. Dat kan ook gezegd worden over het weer, omdat we op het einde een behoorlijke wind tegen hadden, maar ook dit krijg je in Nederland eigenlijk nauwelijks veel beter. Daarbij hadden we diezelfde wind in het begin ook gewoon in de rug.
Ik zoek de oorzaak van mijn mislukte optreden dan ook voornamelijk bij mezelf. Misschien ben ik gewoon nog niet in staat om de halve marathon binnen de negentig minuten te lopen. Misschien had ik daar op dat moment even de juiste vorm niet voor. Misschien gold dat op het lichamelijke of op het geestelijke vlak of misschien wel op allebei. Iedereen heeft immers zo zijn beperkingen en eigen grenzen en misschien ben ik daar die dag wel tegenaan gelopen.
Maar wat als dat het nou niet was? Wat had ik die dag moeten doen om misschien wel onder die magische grens uit te komen? Juist die vraag heeft me enorm bezig gehouden en daarbij ben ik tot de volgende conclusies gekomen.
1. Ik had beter voorbereid naar de wedstrijd moeten komen
Ik ben inmiddels zo gewend aan de commercie tijdens loopwedstrijden, dat ik er vanuit was gegaan dat dit in Dordrecht niet anders zou zijn. Dat kwam mij goed uit, want ik wilde wel eens experimenteren met een gelletje in die laatste paar kilometers. Groot was dan ook mijn teleurstelling toen bleek dat al die standjes in Dordrecht gewoon keihard afwezig waren. Niks, nada, noppes. Uiteindelijk heb ik het moeten doen met een in alle haast gekocht flesje AA-drank en een enkele Mars. Geen idee of een gelletje echt had gewerkt, maar je blijft achteraf toch met zo'n naar "wat als..."-gevoel zitten.
2. Ik had niet zo laf moeten lopen
Ik ben veels te berekenend van start gegaan, want mijn doel was exact 1 uur, 29 minuten en 59 seconden. De kilometertijden stemde ik daar ook op af, terwijl het in het begin allemaal best harder had gekund. Toen ik op het einde tijdens de beklimming van de Papendrechtse brug eenmaal flink wat tijd had verloren, was ik mijn bescheiden marge volledig kwijt. Wie weet wat er was gebeurd als ik de beklimming was begonnen met een minuut of misschien zelfs wel meer onder dat negentig minuten schema.
3. Ik had door moeten zetten
Toen ik in de laatste kilometers zag dat ik nog heel wat tijd goed te maken had, was in een keer al het vertrouwen weg. Ik heb het gewoon laten lopen. Puur door luiheid en de angst voor het echte afzien, heb ik de laatste paar kilometers maar een beetje afgeraffeld. Als ik nog even door had gezet, had ik misschien nog wel eerder de tweede adem kunnen vinden die ik pas honderd meter voor de finish weer terug vond. Als ik na de Papendrechtse brug mijn doel had bijgesteld naar bijvoorbeeld 1 uur, 30 minuten en 30 seconden, dan had ik daar een nieuw schema op afgesteld en misschien had ik dan op het einde alsnog kunnen versnellen.
4. Ik had de tijd moeten nemen om te drinken
In Dordrecht had ik iets last van een verkoudheid. Op zichzelf was dat geen groot probleem, maar het bemoeilijkte het drinken tijdens de wedstrijd. Door een verstopte neus kon ik namelijk niet meer goed door mijn neus ademen, waardoor het lastig werd om tegelijkertijd te drinken en te hardlopen. In plaats van daar iets meer tijd voor te nemen bij de drankposten, gooide ik elke keer het nog halfvolle bekertje al snakkend naar adem weg. Dat had slimmer gekund.
5. Ik had tevreden moeten zijn met wat ik wel kan
OK. Dan loop je niet onder de negentig minuten. Dan haal je je doel eens een keertje niet niet. Lekker belangrijk. Volgende keer beter. Je verkeert in de vorm van je leven en je loopt de ene na de andere goede tijd. Ga dan niet lopen zeuren over dingen die niet goed zijn gegaan, maar richt je op de dingen die wel goed gingen. Je liep toch een PR? Of niet dan? Nou dan! Zeik dan niet zo...
Puntje vijf vind ik zelf nog het beste. Dat zou ik me eens vaker moeten realiseren.
Laatste reacties